Australië, Poëzie

Les is no more (2)

24 juni 2019

Beste Joep,

Midden in de winter, ergens eind juli van het magische jaar 2000, stond ik op de luchthaven van Singapore. In de rij, om aan boord te gaan van een vlucht naar Darwin, Australia.

Drie plaatsen voor mij in de rij stond een kolossale man, een regenton op boomstammen. De man had een grijze baard en een cowboyhoed, en hij stond er op zijn blote voeten. Zijn voeten waren nog kolossaler dan hij zelf was. Breed, dik en hoog, met tenen als schildpadkopjes. Zijn voetzolen had je plateauzolen kunnen noemen, maar denk dan aan pakweg de Uluru. Zolen van zwart eelt, met kraters diep als donkere kreken waarin beschonken Australische jongens nachtzwemmend het leven laten tussen zoutwaterkrokodillenkaken.

Het was de eerste Aboriginal die ik zag in mijn leven.

Les is no more‘ schreef je me onlangs, en ik schrok want wist nog niet dat de Australische dichter (Murray) was overleden. Je gaf ook aan dat je hem nauwelijks kende. Ik meende hem wel te kennen. Een alleenstaande man, vriendelijk, soms een tikkeltje verward, wat onverzorgd, die leefde ergens aan de rand van de outback, en die daar ’s avonds op zijn veranda zat en in lyrische verzen optekende wat de grandioze natuur hem aanreikte.

Een soort albino versie van de Aboriginal die mij vergezelde op mijn eerste vlucht naar Australië. Zijn dood stelde ik me voor als meegenomen worden naar gene zijde door een groep dingodolle dingo’s terwijl hij zijn roes aan het uitslapen was op zijn veranda.

In werkelijkheid was hij getrouwd, onderdeel van het literaire establishment, politiek actief en woonachtig in New South Wales, aan de kust. Hij was wel een onovertroffen vertaler uit de mysterieuze en oneindige taalgebieden van de natuurlijke wereld. En daarmee Australiës ‘bush bard’.

Een paar maanden geleden was ik in Oxford op het jaarlijkse congres van de Philosophy of Education Society of Great Britain. Een van de vele bijzondere aspecten aan dat congres is dat het in New College wordt gehouden en dat je daar ook dineert en overnacht. En dat je om de hoek, op Broad Street, terecht kunt bij een van de prettigste boekwinkels ter wereld, Blackwell’s. Ik kocht er Murrays ‘Translations from the Natural World’ (Carcanet Press, 1993), waarin hij in elk vers weer een andere stem laat opklinken uit de natuur. Met onnavolgbare overtuigingskracht metamorfoseert zijn “I” in talloze levensvormen, zelfs de ziel van een prikkelstruik weet hij feilloos te treffen, met een paar woorden, zoals in Cockspur Bush:

I am innerly sung by thrushes who need fear no eyed skin thing.

Dat gedicht begint met de zes woorden ‘I am lived, I am died’, zes woorden die in mijn ogen het geheim van zijn dichterschap ontsluiten.

Vooruit, nog een gedicht dan tot besluit, met een vergelijkbaar grammaticaal register in de openingszin (en verder):

Pigs


Us all on sore cement was we.
Not warmed then with glares. Not glutting mush
under that pole the lightning’s tied to.
No farrow-shit in milk to make us randy.
Us back in cool god-shit. We ate crisp.
We nosed up good rank in the tunnelled bush.
Us all fuckers then. And Big, huh? Tusked
the balls-biting dog and gutsed him wet.
Us shoved down the soft cement of rivers.
Us snored the earth hollow, filled farrow, grunted.
Never stopped growing. We sloughed, we soughed
and balked no weird till the high ridgebacks was us
with weight-buried hooves.  Or bristly, with milk.
Us never knowed like slitting nor hose-biff then.
Nor the terrible sheet-cutting screams up ahead.
The burnt water kicking.  This gone-already feeling
here in no place with our heads on upside down.

Duitsch, Poëzie, Vertalen

Magisch beginnetje

18 mei 2019

Beste Joep,

Of ik de schrijver Hermann Hesse kende?

Ze keek me aan met grote, verwachtingsvolle ogen. Ik keek terug in de tijd. Toen ik nog tien jaar jonger was dan zij, las ik Siddhartha, maar ook Kim van Kipling, en de queeste van de brahmanenzoon en het Ierse weeskind zijn voor mij één geworden. Ze sprak met een zwaar Duits accent.

“Jazeker,” zei ik.

Continue Reading…
Americana, Poëzie, Vertalen

De twee gezichten van Delmore Schwartz

27 maart 2019

Beste Joep,

Toen ik vanochtend de vuilnis buiten zette, moest ik denken aan Delmore Schwartz. En aan het kamermeisje van het Columbia Hotel, kakelvers ontsproten aan jouw fantasie. Ik zie haar in de vroege morgen aankloppen op de hotelkamerdeur van de eens beroemde dichter. Eén keer, nog een keer. Ze doet voorzichtig open en steekt haar hoofd om de hoek van de deur en … treft een leeg bed aan. Waar zou mijnheer Schwartz zijn?

Continue Reading…
Americana, Ansichtkaarten, Poëzie

70 West 46th Street

17 maart 2019

Beste Jur,

Delmore Schwartz stierf in de vroege ochtend van maandag 11 juli 1966. Dertig jaar eerder was hij de golden boy van de Amerikaanse letteren geweest, maar inmiddels had hij vrienden en familie van zich vervreemd. Drank, drugs, manisch-depressief. Hij woonde in een goedkoop hotel in Midtown Manhattan, vlakbij Broadway. Bezoek kreeg hij niet meer, ik stel me voor dat een kamermeisje zijn lichaam heeft gevonden.

Continue Reading…
Americana, Antieken, Citaat, Klassiekers, Opening

Beginnen bij het begin 2: ga je mee?

28 februari 2019

Beste Jur,

Je stelt voor om beginzinnen te verzamelen. Beginnen bij het begin, dat is vaak een goed idee – en dan doorgaan tot het einde, natuurlijk. Bij ‘beginzinnen’ denk ik altijd meteen aan Moby Dick, die drie simpele woordjes waarmee Melville zijn epos opent: ‘Call me Ishmael.’ De vertrouwelijke toon, de haast die eruit spreekt – ik heb nog 500 pagina’s voor de boeg, zegt de verteller eigenlijk, ik kom van ver en ik heb geen tijd voor flauwekul, we kennen elkaar niet (noem mij maar Ismaël, aangenaam) maar ik heb jou uitverkoren als luisterend oor voor het ongelooflijke avontuur dat me van het hart moet. Ook al heb je geen tijd te verliezen, je ontkomt er niet aan te beginnen.

Continue Reading…
Hedendaagsche Letterkunde, Klassiekers, Russki

Beginnen bij het begin

30 januari 2019

Beste Joep,

Wat is de beroemdste beginzin van de Nederlandse literatuur? Juist, die van Nescio’s Uitvreter:

“Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.”

De openingszin van het meest geciteerde werk in de Westerse literatuur op de bijbel na (Alice), is meteen een hele paragraaf:

Continue Reading…