Americana, Poëzie

Hart Crane’s Atlantis

25 september 2016

Image result for brooklyn bridge

Beste Jur,

Volgens sommigen is Hart Crane de kraanvogel van de Amerikaanse interbellumpoëzie. Volgens anderen is dat te veel eer. Ik las van de week Atlantis, de laatste sectie van zijn eposachtige bundel The bridge (1930), omdat componist Robin de Raaff die tekst gebruikt heeft voor een (overigens erg geslaagd) oratorium dat afgelopen vrijdag in première ging.

Crane (1899-1932) verdeelt de meningen. Men is het erover eens dat hij briljante momenten kende, en die afwisselde met tenenkrommende, maar de richtingenstrijd over waarop nou precies de nadruk behoort te liggen is nog altijd niet gestreden. Amerika is, naast veel andere dingen, een land met een poëziedebat.

Harold Bloom, de literatuurhistoricus die alles heeft gelezen en daarover boeken publiceert, is in ieder geval fan. Volgens hem kwam Crane’s genie tot wasdom in zijn ‘agon’ (de term die Bloom gebruikt voor de ‘strijd’ om literaire beïnvloeding en originaliteit) met T.S. Eliot’s bewonderde, gehate The waste land – bewonderd als het grootste gedicht van zijn generatie; gehaat omdat het al geschreven was. Bloom noemt dit procedé in zijn gelijknamige boek de ‘anxiety of influence’, ofwel de angst om beïnvloed te worden, en hij beschouwd het als de propeller van de literatuurgeschiedenis: grote auteurs, dat wil zeggen auteurs met een sterke, oorspronkelijke signatuur, worden zichzelf door de erfenis van hun grote voorgangers te ontvluchten – niemand wil nu eenmaal een na-aper zijn, al zijn de meesten van ons ertoe veroordeeld.

In zijn recentste boek, The daemon knows, over het sublieme in de Amerikaanse literatuur, zegt Bloom het nog scherper: “Crane works in order to make it appear as if he is the poetic ancestor of Whitman, Melville, and Eliot – not a swimmer in their wake. […] The quest of The bridge – and of Atlantis in particular – is to render Song of myself and The waste land legatees of Crane, not his forerunners.”

Dat vind ik een mooi beeld: Crane die roepend achter zijn helden aanzwemt, op volle zee in het zoute schuim happend, buiten adem, omdat de wedstrijd in zijn beleving precies de andere kant op gaat en niet dat trio aan de horizon op kop ligt, maar hijzelf.

Het is ook een cru beeld. Waldo Frank beschrijft in zijn inleiding bij de verzamelde gedichten hoe Crane in Mexico, waar hij na zijn vlucht uit de hectiek van New York verbleef, bezeten raakte van een “cult of death, old as the Aztecs, ruthless as the sea.” Tijdens de bootreis terug naar de Verenigde Staten, een paar honderd mijl ten noorden van Cuba, begaf Crane zich in de vroege ochtend naar de achtersteven, deed kalm zijn jas uit en sprong overboord; zijn lichaam is nooit gevonden.

Crane’s stijl in zijn gedichten (zijn brieven zijn kraakhelder) is dicht geweven en extatisch, boordevol symboliek en allusie. In Atlantis stelt hij zich de Brooklyn Bridge met zijn beide torens voor als de Zuilen van Hercules, waartussen het mythische eiland volgens Plato verzonken zou liggen. De brug is bij Crane metafoor voor een tijd in transitie, maar transformeert gaandeweg ook tot harp, tot schip en zelfs tot vrouw.

Je moet ervan houden. The Bridge doet een epische, rapsodische, en ook lichtelijk megalomane poging het Amerikaanse project in elektrische verzen te vatten, van Columbus via Pocahontas en Rip Van Winkle tot de Jazz Age. Het is hermetische, overdadige poëzie, en toch zit er ontegenzeggelijk muziek in. Atlantis is de orgastische climax van het geheel, waarin alle symbolen en metonymen en toespelingen zo vaak gepaard hebben dat niemand nog weet wie wie heeft bevrucht, met uitzondering van Harold Bloom, die alles weet, en iemand verwilderd vraagt of je even in haar arm wilt knijpen, omdat ze droomde dat ze een harp was die achter een witte walvis aan over de zeven zeeën joeg, omdat ze droomde dat ze sliep, en ontwaakte en zonk en verrees en nog steeds droomde, dromend van een bespeler, een onsterfelijke harmonie–

Afijn. Het zevende van de twaalf octaven vind ik een van de mooiste, of meest aansprekende, omdat er even tijd is voor reflectie (de “deathless strings” waaruit het lentelied opklinkt zijn de brugkabels, en het scheepswant, en de harpsnaren):

“We left the haven hanging in the night–

Sheened harbour lanterns backward fled the keel.

Pacific here at time’s end, bearing corn,–

Eyes stammer through the pangs of dust and steel.

And still the circular, indubitable frieze

Of heaven’s meditation, yoking wave

To kneeling wave, one song devoutly binds–

The vernal strophe chimes from deathless strings!”

You Might Also Like

No Comments

Leave a Reply