Americana, Poëzie

Kees en de Mexicaanse spiegel

12 maart 2015

Beste Joep,

Eind januari, in een besneeuwd Deventer, was ik in de Bergkerk op de jaarlijkse boekenmarkt. De laatste jaren koop ik minder dan voorheen: het schatgraversgevoel pak ik makkelijker in een kringloopwinkel, en er is altijd het wereldwijde web als achterwacht. In de kerk koop ik alleen nog op gevoel. Nog in de vorige eeuw kocht ik zo mijn volmaakt gave Signetpocketuitgave van Salingers Catcher in the Rye, first printing. Bij de kraam van een sympathieke Amerikaan met grijze snor en stoppelbaard stond ik er naar te kijken als naar een mystiek object. Hij vroeg er honderd gulden voor. Ik had maar veertig voor de hele dag. Na een rondje door de kerk, stond ik weer aan zijn kraam. Hij vertelde over zijn gestrande huwelijk en wat Salingers werk voor hem had betekend in de donkere dalen van zijn bestaan. De twintiger met liefdesverdriet die ik was, kon zich daartoe goed verhouden. Extra bedenktijd spendeerde ik aan de prijs van een Levi’s 501 in verhouding tot die van het boekje waarnaar mijn begeerte uitging. Toen hij mij een uur later weer zag, reageerde de Amerikaan oprecht opgelucht : “I felt sorry dat ik liet jou gaan. Omdat jij bent een echte liefhebber, jij mag hem hebben voor de veertig gulden.”

Dit jaar geen grote gevoelens. Waardering voor een toeval voldeed twee keer voor een aanschaf. Eerst hoorde ik op de autoradio vlak voor de afrit Deventer iemand  zeggen dat hij eigenlijk niet over ‘De wandeling’ van Robert Walser wilde praten, omdat hij het voor zichzelf wilde houden, en bij binnenkomst in de Bergkerk zag ik het gelijk liggen. Vervolgens spotte ik in een bakje dichtbundels ‘Een goed akkoord op een slechte piano’, een selectie gedichten van Weldon Kees, vertaald door J. Eijkelboom in een fraai uitgegeven tweetalige editie, terwijl ik Kees net een paar weken daarvoor ‘ontdekt’ had (en daarmee een voorbeeld van waarom ogenschijnlijke toevalligheden dat in feite vaak juist niet zijn). In jouw Lenzlemma vertel je hoe Rihm  overtuigend antwoord geeft op de vraag “Hoe toon je waanzin?”, en ik bleef, met Kees op schoot, hangen in een pendant daarvan: “Hoe toon je je eigen waanzin?”

In 1955 werd Kees’ auto, een ’54 Plymouth Savoy, leeg aangetroffen bij de Golden Gate Bridge, San Francisco. Naar verluidt waren er die dag twee ‘jumpers’, maar de Pacific heeft het lichaam van de dichter nooit prijsgegeven. Hoewel deze een Duitse achtergrond heeft, wordt zijn oer-Hollands ogende achternaam door Amerikanen uitgesproken als een langgerekt ‘keys’. Kees’ keys zaten nog in het contact van de Plymouth, en in het dashboardkastje lag een adresboekje. Bij hem thuis trof men zijn kat Lonesome en zijn sokken die in een sopje zijn thuiskomst leken af te wachten. Want was hij wel gesprongen? Hij had eerder op de brug gestaan en was tot de ontdekking gekomen dat hij fysiek niet in staat was eraf te springen. En tegenover vrienden sprak hij vaak over zijn voornemen een geheel nieuw leven aan te vangen in Mexico, en te verdwijnen als de mythische schrijver Ambrose Bierce die rond Kees’ geboortejaar 1914 voor het laatst gezien werd in Chihuahua.

Waarom heeft Kees zelf een einde aan zijn leven gemaakt, al dan niet letterlijk? Hij was succesvol als dichter, als schilder (zijn werk hing naast dat van Pollock en De Kooning; hij kocht een ’38 Plymouth van Rothko voor 175 dollar, die hij vernoemde naar de blinde ziener Tiresias of naar het schilderij van Rothko van deze mythologische figuur), hij maakte films en documentaires, componeerde, trad op als jazzmuzikant. Een alleskunner, weggevlucht uit Nebraska (zo’n staat die je vergeet wanneer je ze allemaal probeert op te noemen, het is dat blok met panhandle onder de Dakota’s, oja) en op drift geraakt van coast to coast. Hij wilde een groot dichter worden. Een Eliot of Pound. Maar wat is een groot dichter? Kees’ poezie wordt vaak getypeerd als briljant, maar zonder een enkel volledig geslaagd vers op zijn naam. Hij is een cultfiguur,  bijkans vergeten, toch opgenomen in Blooms canon van de Westerse beschaving. Kees lezend blijf ik moreel in gebreke: hij neemt me mee naar de zwarte diepten van zijn bestaan, maar ik word betoverd in plaats van geraakt. Het is de afwisseling van krankzinnige beelden en achteloze en ijle voltreffers tussendoor die mij bedwelmen, als op het middenpaneel van een van zijn meest beroemde gedichten 1926. Een strofe als “An orange moon. I see the lives / of neighbors, mapped and marred / like all the wars ahead, and R. / insane. B. with his throat cut, / fifteen years from now, in Omaha.” laat hij volgen door een minuscuul “I did not know them then.” wat in zes woorden het hele gedicht optilt, waarna hij dan weer de draad oppikt met een goedmoedig “my airedale scratches at the door”.

Ik ben niet zo diep in de Keesische mythologie gedoken om te weten wie R. is, of B., maar je hoeft geen buitengewone verstaander te zijn om te begrijpen dat Kees in elk geval in zijn ‘Robinsonkwartet’ zijn eigen waanzin toont. In deze vier gedichten over de figuur Robinson (die hij zou hebben opgevist uit Celines Reis naar het einde van de nacht, maar die ongetwijfeld ook verband houdt met de eenzame eilandbewoner) portretteert hij Robinson vooral vanuit het er-niet-zijn (Montaleaanse echo). Het eerste gedicht doet dat letterlijk vanuit de beschrijving van een lege kamer, met een schitterende uitsmijter vlak voor het slot: “All the day the phone rings. It could be Robinson / calling. It never rings when he is here.” Voer voor speculatie over het juist wel of niet aannemelijk zijn van een Mexicaans tweede leven bieden de regels: “The mirror from Mexico, stuck to the wall, / reflects nothing at all.”

Het tweede gedicht wordt gezien als het beste van de vier. Aspects of Robinson toont in vijf strofen als het ware vijf scenes uit een film: steeds treffen we Robinson aan op een andere lokatie in de stad New York, onder de mensen, maar alleen, als een eiland in zee. Zo bevindt Robinson zich in de tweede strofe op een feestje, waar hij op het dakterras van een oud pand in Brooklyn Heigths uitkijkt over East River. Robinson ziet de schepen onder hem in het koude grijze water ‘that mourn like the lost’ (hoor je het geluid van de scheepshoorns? – weer een Montaleaanse echo). Opeens lijkt het of er iemand naast hem komt staan aan de dakrand en zegt: “Here’s where old Gibbons jumped from, Robinson.” Het is schitterend om te zien hoe Kees het ‘niet-kunnen-zeggen’ en het ‘er-niet-zijn’ van Robinson met dit soort constructies opheft en tegelijk verdiept. In de laatste strofe breekt de lente aan. Robinson heeft zich bijeen geraapt en zijn lentepak aangetrokken dat drie regels lang uit de doeken wordt gedaan. Maar dan toch weer die ontluisterende slotregel, die not kon uitblijven, en het hele vers samenvat met een eenvoudig contrastrerend beeld: “all covering / his sad and usual heart, dry as a winter leaf.”

Zo toont Kees de bron van zijn waanzin. Het gebruikelijke hart. Het raakt me toch wel, moet ik zeggen. En het doet er dan minder toe of hij daadwerkelijk een bipolaire stoornis had (en daardoor ongeschikt werd bevonden voor het leger), en of zijn vrouw Ann niet nog gestoorder was dan hijzelf (zij werd opgenomen in een kliniek en hun huwelijk strandde na zestien jaar), Kees raakt in de Robinsonverzen een snaar van de waanzin die trilt in ons allemaal. Een waanzin die onlosmakelijk verbonden is met de menselijke conditie, de waanzin die je zou bedoelen wanneer je beweert dat alle goede literatuur de waanzin toont. En daarmee troost biedt, zoals het relaas van Holden Caulfield dat voor mij kon doen eind van de vorige eeuw.

You Might Also Like

No Comments

Leave a Reply