Americana

Van moerbeien tot citroen: het kleurrijke proza van James Purdy

20 februari 2017

storm

Beste Joep,

“Mijn huid heeft de kleur van moerbeiensap.” Met die onsmakelijke verzuchting vangt Garnet Montrose zijn dagboek aan. Montrose is teruggekomen uit de Vietnamoorlog na ternauwernood een explosie te hebben overleefd, die hem heeft veranderd in een monsterlijk wezen. Zijn spieren en aderen liggen bijna bloot aan de oppervlakte en mensen kunnen hem niet aanzien zonder te kokhalzen. Hij trekt zich terug in het huis van zijn ouders, geplaatst in een tikkeltje spookachtig Virginia als decor. Zijn miserabele staat dwingt Montrose op zoek te gaan naar een ‘lijfknecht’ die zijn voeten kan masseren en ‘het vlees boven zijn hart’. En die brieven kan bezorgen bij zijn jeugdliefde, Georgina, nu de Weduwe Rance. Met enige moeite vindt hij zelfs twee lijfknechten, Daventry (achternaam), een blonde knul uit Nevada die op de vlucht is voor de politie, en Quintus (voornaam) een donkere jongen uit de buurt die hem iedere avond voorleest.

Zo begint ‘In a shallow grave’ (1980), dat ik onlangs kocht in een kringloopwinkel voor 75 cent. Ik las het dezelfde avond nog uit. In 116 luttele pagina’s tovert de schrijver James Purdy een wereld tevoorschijn, met de directheid waarmee een bliksemflits een landschap kan doen oplichten. Wat een schrijver! Ik kende hem alleen van naam, vagelijk. Purdy ging door het leven als het best bewaarde geheim van de Amerikaanse literatuur. Gore Vidal noemde hem een ‘authentic American genius’ en zo waren er meer die hem tot de allergrootsten rekenden, maar zijn werk was te heftig (?) voor de gevestigde uitgevers en het grote publiek en in zijn laatste interviews spreekt Purdy daarover met een verbitterde toon: “The bugbear of all these New York pygmies who rule literature is imagination. That is the unforgivable crime – to have imagination.”

Hier in Nederland heeft hij trouwens wel een zekere bekendheid gekregen door de inspanningen van een aantal Nederlandse bevriende uitgevers en margedrukkers. Daarover verscheen vorig jaar een aardig stuk in de Parelduiker.

Ik kan elke schrijver met writer’s block aanraden: Lees Purdy. ‘Zo kan het dus ook,’ denk je om de paar zinnen. De gebeurtenissen buitelen over elkaar heen en dan is het boekje al weer uit. Een krankjorum geheel, over-the-top, sentimenteel, maar tegelijk bevreemdend waarachtig. Sluip met Montrose mee het huis uit, ’s nachts, en dans in een verlaten danshal in de heuvels, waar puin en dennenappels op de vloer liggen, maar waar de grammofoonspeler het nog doet, en luister naar hoe hij daar – na te hebben gedanst in het verleden van zijn tienerjeugd – piano speelt, moederziel alleen, tot het weer begint te gloren aan de kim.

Purdy schildert de Virginiaanse hemel boven zijn vier personages in ongebruikelijke tinten (‘citroenkleurig vermengd met asgrauw’), met een zon die lijkt ‘op een gebroken broche.’ Je voelt alleen al daaraan dat het hommeles gaat worden. Wanneer Daventry op tilt gaat door een stormaankondiging in de krant (“O, die wind, die wind! Ik heb nog nooit zo’n verschrikkelijke wind gehoord!”) laat het einde zich raden.

You Might Also Like

No Comments

Leave a Reply