Antieken, Hedendaagsche Letterkunde, La France, Vertalen

Houellebecq vs Marcus Aurelius

8 juni 2015

Beste Jur, hou je vast:

“In het algemeen was mijn lichaam een broeinest van allerlei pijnlijke aandoeningen – migraines, huidziekten, tandpijnen, aambeien – die elkaar zonder onderbreking aflosten, me haast nooit met rust lieten – en ik was nog maar vierenveertig! Hoe zou het wel niet zijn als ik vijftig, zestig of nog ouder was…! Dan zou ik enkel nog een samenstel van langzaam wegrottende organen zijn, en mijn leven zou een eindeloze kwelling worden, droefgeestig, vreugdeloos en karig.”

Dat lees ik in de nieuwe roman van Houellebecq, die zelf daadwerkelijk de zestig nadert, in gebrekkige gezondheid. Ik heb Onderworpen nog niet uit, maar het zijspoor van de lichamelijke aftakeling, een geliefd, of beter gezegd chronisch thema van Houellebecq, riep een associatie op die mijzelf nogal verraste, namelijk met de aantekeningen van Marcus Aurelius. Het spinrag van literaire verwantschappen wordt vaak pas aangemaakt wanneer je er met je gezicht in blijft plakken en zo blijkt er een lijntje te spannen tussen de Franse provocateur en de stoïsche keizer, hoewel alleen de laatste ook in pasklare oplossingen handelt:

“Dit kun je wel zeggen van de mens en zijn leven: de duur ervan is een stip, de materie veranderlijk als stromend water; zijn waarneming is vaag, zijn lichaam bestemd om uit elkaar te vallen en tot ontbinding over te gaan, zijn ziel dolend, zijn lot ondoorgrondelijk, zijn reputatie niet op een redelijk oordeel gegrond. Kortom, al het lichamelijke is als een rivier, al het geestelijke droom en illusie. Het leven is een strijd en een verblijf in een vreemd land, en roem bij het nageslacht is vergeten worden. Wat kan ons dan een veilige doortocht geven? Enkel en alleen de filosofie.”

(Marcus Aurelius in caput 17 van boek II, in de vertaling van Simone Mooij-Valk.)

You Might Also Like

No Comments

Leave a Reply