Americana, Britannia, Hedendaagsche Letterkunde, Klassiekers

Groot vs klein: DeLillo en Swift

3 oktober 2016

Beste Jur,

Sommige boeken schijnen er altijd geweest te zijn. Ze staan in je kast, je kunt je niet herinneren dat ze er ooit niet waren, ze vormen de zuilengalerij waartussen je de nieuwe aanwinsten een plekje geeft. Underworld is zo’n boek. Ook al verscheen het pas 1997 – rijkelijk laat voor de eeuwigheid. En ook al weet ik precies waar en wanneer ik het heb aangeschaft, want dat noteer ik plichtsgetrouw op de Franse pagina: 30 maart 2010 in Amsterdam. Zesenhalf jaar geleden pas, maar het voelt als altijd.

Underworld, het magnum opus van Don DeLillo, is gezegend of vervloekt met die merkwaardige combinatie van astronomische verkoopcijfers en een verhoudingsgewijs klein lezerspubliek (als is dat zojuist met één gegroeid, eindelijk) die hoort bij een echte klassieker. Het is een boek waarmee je kunt dwepen, omdat het fantastisch geschreven en gecomponeerd is, omdat het een ongegeneerd grote greep doet, en vooral omdat er zo véél van is. Underworld speelt in de VS tijdens de Koude Oorlog en wordt verteld door de ogen van tientallen personages, onder wie historische figuren als FBI-baas J. Edgar Hoover en komiek Lenny Bruce. Na de proloog duiken we steeds verder terug in de tijd, van Arizona in de vroege jaren 90 naar New York in 1951. Het gaat over de bom, de oorlog, de andere oorlogen, gokken, opgroeien, scheppingsdrang, schuld en boete en misdaad en straf, kunst en blokkades, getto’s en verslaving en een door nonnen gerund liefdadigheidsproject in de Bronx, over rassenrellen, de burgerrechtenbeweging, communistenangst, over onbedoelde doodslag, over mysterieuze highway-moorden, over het mysterie van Groenland, dat er op iedere kaart anders uitziet – bestaat het wel? – en natuurlijk over honkbal. DeLillo verweeft zijn lijntjes meesterlijk, zonder informatiebombardementen of vervelende herhalingen, maar met begrip voor zijn lezer, die gedurende 827 pagina’s best af en toe een geheugensteuntje kan gebruiken. En in tegenstelling tot zijn reputatie van koele, rationele schrijver komt een aantal van die honderd personages sprankelend tot leven.

In tegenstelling tot soortgenoten als Thomas Pynchon of David Foster Wallace – scheppers van vuistdikke, ‘postmodern’ genoemde romans over Amerika, of beter gezegd: ‘Amerika’ – opereert DeLillo het liefst in een realistisch idioom en schuwt hij typografische grapjes. Al bevat Underworld wel een paar zwarte bladzijden. Maar de tekst dient allereerst de verhalen, en niet andersom. De scènes in het naoorlogse Little Italy van de Bronx geuren en glinsteren. Het huwelijk van hoofdpersoon Nick is scherpgetekend, met sprekende details en veel onderhuidse turbulentie. De neurotische, van fobieën bezeten J. Edgar Hoover die zijn leren masker aanpast voor een door de counterculture georganiseerd gekostumeerd bal: subliem.

Dat Underworld, met alle gebreken die het ook heeft, een briljant boek is, ligt voor een groot deel aan de lange proloog. Deze vlot gemonteerde, lichtvoetige beschrijving van de legendarische honkbalwedstrijd tussen de Giants en de Dodgers op 3 oktober 1951 (vandaag precies 65 jaar geleden), in de laatste inning beslist door Thomsons ‘Shot heard round the world’, is een feest op zichzelf, en zet bovendien het machientje in werking dat ruim 800 pagina’s blijft lopen: want waar is de honkbal waarmee Thomson zijn spectaculaire homerun sloeg gebleven? Niemand die het weet, maar in Underworld duikt die bal voortdurend op, als de ballon in een zoekboek voor kinderen.

Ik wilde eigenlijk geen dweepstuk over Underworld schrijven, maar dat is niet helemaal gelukt. Ik wilde zeggen dat zo’n Great American Novel heerlijk is, maar dat het ook anders kan, dat de Brit Graham Swift met het aantal woorden dat DeLillo’s proloog telt een complete roman weet te construeren, en dat die roman, Mothering Sunday, Swifts nieuwste, minstens zo briljant is.

Swift (van Waterland en de prachtige faulkneriaanse elegie en Booker-winnaar Last orders) vertelt een ogenschijnlijk eenvoudig verhaal: de laatste ontmoeting tussen twee geliefden, gezien door haar ogen. Swift zet de tijd stil en laat de lamp van zijn formidabele observatietalent schijnen over de lichamen – jonge lichamen –, de lakens, de vlek, het eigenaardige licht van een zomerse dag in maart, de familiefoto’s op het dressoir, de orchideeën in de hal. Het is 1924. Ze zijn bijna zo oud als de eeuw. Hij is de laatste zoon van een aristocratische familie en trouwt over twee weken. Maar niet met haar. Zij is de dienstmaagd van de buren, die eveneens twee zoons hebben verloren in de Grote Oorlog. Hun affaire, acht jaar oud, loopt ten einde.

Swift schrijft een nauwkeurig, van voorwaardelijkheid doordesemd proza: ‘you might say’, ‘perhaps’, ‘it could be’. Het effect is een adembenemende, levensechte precisie. Die ene zondagochtend, waarop aanvankelijk weinig gebeurd, waarop gekeken en gevoeld wordt, krijgt de allure van een historische gebeurtenis, al is deze geschiedenis door en door persoonlijk en blijven de gruwelen van de loopgraven onuitgesproken. Die ene ochtend. Mothering Sunday. En toch evoceert ook Swift een tijdvak, net als DeLillo – via subtiele hints en een uitgebreide flash-forward ontdekken we dat de dienstmaagd nog een rijk leven zal leiden, een leven dat zelfs de hele twintigste eeuw blijkt te beslaan. Een leven dat ons tussen neus en lippen door vreemd vertrouwd wordt.

En al die jaren, die ene ochtend.

You Might Also Like

No Comments

Leave a Reply