Afrika, Italiano, Verre Oosten

Viaggio in Africa

20 november 2018

Beste Jur,

Vorige week was ik in Milaan, zoals ik je schreef, waar ik bij de Libreria Internazionale in de Via U. Hoepli – heerlijke naam – twee boeken kocht die allebei raken aan een continent dat er tot dusver in onze wereldbibliotheek nogal bekaaid vanaf is gekomen: Afrika. Terwijl het toch een rijkelijk vloeiende bron is, van Mahfouz tot Coetzee en van Achebe tot Chimamanda Ngozi Adichie en Teju Cole.

Maar goed, ik was in Milaan en ik kocht boeken van twee Italiaanse schrijvers, een in het Engels en een in het Italiaans. Alessandro Baricco heeft boeken geschreven die ik bewonder, om hun compactheid en helderheid, om hun soepele stijl en originele verhalen – de kunstenaarsroman Mr Gwyn en de spin-off daarvan, Driemaal bij dageraad, behoren tot mijn favorieten.

Baricco’s beroemdste roman, Seta (Silk in het Engels), had ik nog niet gelezen. Het is een fantastisch verhaal over een Fransman, Hervé Joncour, die halverwege de negentiende eeuw jaarlijks naar Afrika (daar heb je het) reist om zijderupseitjes te bemachtigen. De zijdeproductie in zijn dorpje is daarvan afhankelijk, omdat de lokale eitjes besmet zijn met een vreselijk virus. Tot ook de Afrikaanse eitjes besmet raken. Het failliet dreigt. Joncour onderneemt in 1861 (‘terwijl Flaubert Salammbô aan het schrijven was’) de lange reis naar het recent ontsloten keizerrijk Japan, waar hij in de ban raakt van een mysterieuze schone en het verhaal echt begint. Het is een kort boek met een lichte toon, zoals de meeste boeken van Baricco, dat een bezwerende zeggingskracht ontwikkelt.

Het andere boek dat ik in de Via Hoepli op de kop tikte was Viaggio in Africa van Giorgio Manganelli (de vrolijke knul op de foto hierboven). Een klein boekje (ik heb een hekel aan de term ‘boekje’, die bijna altijd misbruikt wordt; maar dit is echt een klein boekje, verschenen in de Bibliotheca minima van Adelphi) met een reportage uit 1970 over een reis van Caïro via Ethiopië naar Dar es Salaam. Om redenen van research bleef ik daaraan hangen. Bovendien kende ik de auteur, die tevens een boek heeft geschreven dat in vertaling De roes van de briefschrijver en 99 andere gevleugelde romans heet en dat ik ooit van jou heb gekregen.

Waarvoor dank, want het is een verrukkelijk, van de pot gerukt letterensanatorium, met verhaaltjes van anderhalve pagina waarin met stoïsche kalmte en een volstrekt onbewolkte geest een voorval binnenstebuiten wordt gekeerd. Alles kan, omdat het zo heeft moeten zijn, of omdat het toevallig in Manganelli opkwam. Zo begint nummer 67, in de vertaling van Wilfred Oranje:

‘Het door de jagers nagezeten dier ondergaat tijdens zijn geruisloze en accurate vlucht een reeks gedaanteverwisselingen, die het onmogelijk maken een wetenschappelijk plausibele beschrijving van zijn verschijning te geven.’

Het dier lijkt op een vos, met een langgerekte snuit en een ‘ongedurig kwispelende staat waarmee het zijn sporen uitwist.’ Het verandert van kleur, krijgt ‘borstelige stekels’, verlengt zich tot ‘een soort vaalblauwe gevleugelde slang’ en ten slotte wordt het plat ‘zoals bepaalde vissen’, ‘haast een grote, tere maan.’ De jagers en honden krijgen met hun kogels, pijlen en kaken geen grip op het dier. Zo eindigt het:

‘Doch de jager is weinig respijt gegund: het monster wisselt namelijk plotseling, zonder zich om te draaien, voor- en achterkant, en honden, paarden en jagers staan voor een enorme muil vol tanden, die zwijgend en wijd opengesperd op hen toeschiet en hen in stukken bijt, uiteenrijt en verslindt.’

You Might Also Like

No Comments

Leave a Reply